Risicobeleid

Kwalitatieve risicohouding

Het bestuur en overlegpartners vinden een koopkrachtbestendig pensioen en het behalen van het beoogde pensioenresultaat het meest belangrijk. Een gemiddelde toeslagverlening op lange termijn van minder dan 40% wordt als onacceptabel gezien. Er wordt naar gestreefd om zoveel mogelijk een dekkingstekort en de kansen op een korting te vermijden. Een rechtenkorting van 2,5% per jaar is het maximum, een korting van 1% is het minimum. De kritische grens voor de dekkingsgraad is afhankelijk van de minimale grens waarbij nog ten minste kan worden voldaan aan de vereisten om bij een herstelplan binnen de gestelde termijnen te beschikken over het vereist eigen vermogen. De minimale beleidsdekkingsgraad die één keer in de 40 jaar mag voorkomen bedraagt 90%. De volatiliteit ten aanzien van de dekkingsgraad is minder belangrijk. Er wordt gestreefd naar een dekkingsgraad na 10 jaar van ten minste 130%, waarbij in een negatief scenario na 10 jaar de dekkingsgraad boven 104% als belangrijk wordt gezien. De eigenschappen van het strategisch beleggingsbeleid dienen tot gevolg te hebben dat de wensen met betrekking tot de risicohouding en de prioritering van de doelstelling tot uitdrukking komt. Volatiliteit van de premie en het premieniveau wordt door het bestuur in beginsel niet belangrijk gevonden. Er is namelijk sprake van financiering op basis van een kostendekkende premie, waardoor de premie afhankelijk is van de rentestand, welke van jaar op jaar kan fluctueren.

Er is een prioritering in het belang van de doelstellingen aangegeven, waarbij sommige doelstellingen qua prioritering redelijk vergelijkbaar zijn:

  1. Realisatie van een koopkrachtbestendig pensioen en het beoogd pensioenresultaat.
  2. Minimalisatie kans op kortingsmaatregel en de omvang van de korting.
  3. Stabiele dekkingsgraad en maximalisatie van de dekkingsgraad.
  4. Stabiele premie.
  5. Minimalisatie van de premie.

Kwantitatieve risicohouding

Voor de korte termijn wordt de kwantitatieve risicohouding uitgedrukt in de hoogte van het wettelijk vereist eigen vermogen (VEV). Per 1 januari 2017 had deze een waarde van 16% van de verplichtingen van het pensioenfonds, met een bandbreedte van plus en min 4%. De kwalitatieve risicohouding, de eigen beleidsuitgangspunten en vastgestelde kwantitatieve risiconormen zijn op basis van uitgevoerde ALM-analyses vastgesteld. De kwantitatieve risicohouding op lange termijn wordt uitgedrukt in de door het bestuur vastgestelde ondergrenzen van de haalbaarheidstoets.

Bij de aanvangshaalbaarheidstoets, gebaseerd op de financiële situatie van het fonds per 1 januari 2016, zijn deze volgende grenzen bepaald:

  • Mediaan scenario: pensioenresultaat 95%;
  • Relatieve maximale afwijking verwacht pensioenresultaat in slechtweer scenario: 30%
  • Mediaan scenario vanuit dekkingsgraad die voldoet aan VEV: 95%